Home    

Nieuwsberichten De praktijk Inhoudelijke informatie over Opleiden in school Regionale netwerken deelnemende besturen en scholen Meest gestelde vragen over Opleiden in school Informatie over de projectgroep en regio-ondersteuners

Praktijk







Competentiegericht leren op de werkplek

Ervaringen van De Basis, organisatie voor openbaar primair onderwijs. Gesprek met Margriet Klinge (zij-instromer in opleiding), Peter Janssen (zij-instromer in opleiding), Dick Heldoorn (directeur Anne Frankschool), José Blijham (adjunct-directeur Anne Frankschool), Kees de Koning (coördinator opleiden in school)

Het traject Opleiden in school valt eigenlijk in 2 onderdelen uiteen, aldus Kees de Koning , coördinator OIS van De Basis.
Op de eerste plaats gaat het om de uitwerking van werkplekleren, waarbij centraal staat dat de school een grotere rol gaat spelen in het hele opleidingstraject.
Op de tweede plaats gaat het om het werken met profielen. 

Werkplekleren
Iedere school binnen De Basis heeft een starter-begeleider. Dit betekent dat alle type studenten (dagopleiding, Lio, zij-instromers in opleiding en zij-instromers in beroep), professioneel begeleid worden op de scholen van De Basis. De scholen willen een grotere verantwoordelijkheid nemen in de opleiding. Het project Opleiden in school geeft de mogelijkheid de wijze waarop dit in de praktijk kan plaatsvinden verder te verkennen. De begeleiding is gekoppeld aan de school, de theoretische aansturing is in handen van de Pabo.
De deskundige begeleiding op scholen van De Basis heeft Peter Janssen inderdaad als zodanig ervaren. Er zijn meer ondersteuningsmogelijkheden, de mentor, die je in de dagelijkse praktijk coacht, heeft tijd en ruimte om in te gaan op de grote hoeveelheid vragen die je over de praktijk wilt stellen. 
Margriet Klinge vindt ook dat de praktijk zoveel meer biedt dan je op school kunt leren. Nog meer afstemming tussen theorie en praktijk zou de wisselwerking ten goede komen.
In het kader van Opleiden in school wordt gewerkt met kerncompetenties. Dat is zowel voor de Pabo als scholen nog erg wennen. Het formuleren van kerncompetenties is nieuw. Studenten geven in hun POP aan welke doelen ze willen bereiken en op welke wijze ze dat in de praktijk denken te doen (werkplekleren). Het POP wordt doorgenomen met de begeleider van de opleiding en met de mentor. In een gezamenlijke overleg wordt geëvalueerd of de competenties gehaald zijn.
De zij-instromers zijn hun traject met een assessment gestart, ook gericht op inzicht in de kerncompetenties. 
In de praktijk betekent competentiegericht leren ook competentiegericht begeleiden. Alle starter-begeleiders zijn in opleiding en worden ‘opleider in school’. Daarmee wordt ook een link gelegd naar het personeelsbeleid, waar deze taak is opgenomen. Ook de opleiding en de plaats van studenten wordt in de opbouw van het totale personeelsbestand meegenomen.

Werken met profielen
Studenten kiezen een profiel (op thema bijvoorbeeld hoogbegaafdheid, NT2, zorgverbreding of op onderwijsconcept bijvoorbeeld Dalton, Montessori). Ook scholen hebben een profiel. Een schoolprofiel moet passen bij de ontwikkeling van de school. Door de juiste koppeling te maken is het mogelijk dat studenten zich verdiepen in een bepaald onderwerp. 
 



De keuze voor bepaalde profielen gebeurt in overleg met de Pabo. Een aantal profielen is uitgewerkt, maar er komen werkend weg nieuwe profielen bij.
De Anne Frankschool heeft gekozen voor techniek en hoogbegaafdheid. De school werkt mee aan het VTB-project , een landelijk project dat regionaal wordt vormgegeven. Er is een techniekcoördinator op de school aanwezig. Dat maakt de uitwerking van dit profiel eenvoudiger. Het profiel hoogbegaafdheid is een thema dat op de Anne Frankschool in ontwikkeling is en verder moet worden vormgegeven. Door de koppeling tussen de opleiding en de werkvloer is het mogelijk om theoretische verdieping in de school te verwerken.

Dit traject geldt overigens niet voor de zij-instromers. Omdat zij een verkort traject volgen zou een dergelijke verdieping het programma te zeer belasten. Bovendien mag van hen verwacht worden dat zij uit eerdere werkervaringen een stuk verdieping meebrengen. Margriet Klinge en Peter Janssen beamen dat. Vanuit hun achtergrond, maatschappelijk werk en sociaal cultureel werk, brengen zij kennis en ervaring binnen de school. Ook José Blijham onderstreept dat de eerdere ervaringen van de zij-instromers van waarde zijn voor de school.

Cultuuromslag
Opleiden in school wordt direct gelinkt aan het personeelsbeleid van De Basis.
Ook de opleiding en de plaats van studenten wordt in de opbouw van het totale personeelsbestand meegenomen. José Blijham verduidelijkt dat studenten gezien moeten worden als extra krachten die een aanvulling vormen op het realiseren van het onderwijsleerproces en geen personen waarin de leerkracht alleen maar moet investeren. 
Dat vraagt wél om een cultuuromslag. Het gaat niet langer om de vraag "hoeveel studenten kunnen we hebben?", maar om de vraag "welke studenten hebben we nodig?"
Margriet en Peter zien wel verschillen tussen mentoren. Werken vanuit de vragen van de student, gekoppeld aan de vragen van de school is nog in ontwikkeling

Kritische factoren
Om Opleiden in school tot een succes te maken is een opleider in school noodzakelijk. De opleider in school moet vanuit de ontwikkeling van kerncompetenties de student ondersteunen: 
- waar liggen je kwaliteiten (benoemen en benutten)
- wat wil je leren
- hoe ga je dat aanpakken
Voor studenten moet helder zijn wat opleiden in school inhoudt.
In de toekomst zal een op maat gesneden opleiding het streven zijn. Dat zal in overleg tussen het scholenveld en de Pabo moeten gebeuren. Op dit moment is het nog te vroeg om conclusies te trekken, maar over twee jaar ligt er voldoende om de definitieve richting te bepalen.
  
  schoolkinderen.jpg (8438 bytes)