Home   

Nieuwsberichten De praktijk Inhoudelijke informatie over Opleiden in school Regionale netwerken deelnemende besturen en scholen Meest gestelde vragen over Opleiden in school Informatie over de projectgroep en regio-ondersteuners

Praktijk







Netwerk West: geen zwart-wit benadering


Het regionaal netwerk West pleit ervoor om de vraag "Wat leer je waar bij opleiden in school?" niet rechtlijnig te beantwoorden. Het antwoord op ‘Wat leer je waar?’ hangt af van:

1. verschillen tussen scholen
Het onderwijskundige profiel van de ene school verschilt van dat van de andere school. Een kleine, ‘witte’ Jenaplanschool kent andere primaire processen dan een grote ‘effectieve’ onderwijskansenschool. Wat je op school kunt leren en wat in het opleidingsinstituut kan daardoor verschillen.
De ene school heeft meer een cultuur van openheid en leren van elkaar terwijl een andere school de deuren van de klaslokalen ook voor collega’s gesloten houdt. Ook dat beïnvloedt de speelruimte van wat je op school kunt leren.
Daarnaast kan de verhouding tussen draagkracht en draaglast van een schoolteam verschillen. Bijvoorbeeld een school met veel verschillende onderwijskansen- en zorgleerlingen doet een extra beroep op de professionaliteit en het leren van leraren. Het combineren van verschillende handelingsplannen en het afstemmen op collega’s vraagt de nodige (leer)inspanning. Bovendien trekt dit vele externe professionals naar een school. Onderwijsbegeleiders, onderzoekers, opleidingsinstituten, door ouders ingeschakelde bureautjes, vertegenwoordigers van instellingen voor gezondheidszorg, jeugdzorg en welzijn, justitie en politie. Mensen die allemaal tijd, aandacht en vaak om een actieve leerhouding vragen. Het ene team kan gemakkelijker omgaan met zo’n stapeling van continue leerprocessen en professionele aandacht dan het andere team: "Mag er ook nog gewoon met kinderen gewerkt worden?"
Wat je in zo’n situatie op een school gaat leren en wat op het opleidingsinstituut vraagt om prioritering. Aan welke competentieontwikkeling van studenten/zij-instromers wil een school specifieke aandacht besteden?

2. verschillen tussen studenten/zij-instromers
Niet alle studenten/zij-instromers leren op dezelfde manier. Het verwerven van competenties is een persoonlijk ontwikkelingsproces dat bij de één start bij het opdoen van ervaringen terwijl de ander eerst gerichte studie verricht alvorens tot actie over te gaan.
 


Studenten/zij-instromers hebben verschillende leeroriëntaties die maken dat de één meer in staat is - via reflectie en feedback - op de werkplek te leren terwijl de ander meer gebaat is bij de veiligheid van een simulatie op het opleidingsinstituut.
Studenten/zij-instromers verschillen ook wat betreft eerder verworven competenties (EVC’s). De één moet zich andere competenties eigen maken dan de ander. Ook heeft de één persoonlijkheidskenmerken die zijn of haar competentieontwikkeling een andere kleur geven dan de ander. Zowel ingetogen, geduldige mensen kunnen in het leraarschap uit de voeten als enthousiaste, extraverte.
Antwoord op de vraag ‘Wat leer je waar?’ vraagt om de juiste afstemming tussen leerbehoeften van studenten/zij-instromers enerzijds en mogelijke activiteiten op de werkplek en op het opleidingsinstituut anderzijds.

3. verschillen tussen instituten
Bepaalde opleidingen hebben een sterk geprogrammeerd (competentiegericht) curriculum. Competenties zijn vastgesteld en vertaald in gestandaardiseerde opleidingstrajecten en -activiteiten. Andere instituten werken met competentiegerichte individuele leerroutes met een maatwerk aanbod.
Naarmate er sprake is van een strakkere programmering is het antwoord op de vraag ‘Wat leer je waar?’ eenduidiger dan wanneer er sprake is van maatwerk.

4. verschillen tussen betrokken begeleiders
Een sterke instituutsbegeleider kan tekortkomingen van een mentor/coach c.q. team opvangen maar omgekeerd kan een sterke mentor/coach c.q. sterk team de tekortkomingen van opleidingsinstituut opvangen. Wat je waar leert is deels afhankelijk van het vermogen van betrokken begeleiders om leerprocessen bij studenten/zij-instromers op gang te brengen. Wanneer de chemie tussen lerende en een bepaalde begeleider niet optimaal is, zal de student/zij-instromer c.q. begeleider op een of andere manier zoeken naar mogelijkheden om dit op te vangen. Dit kan door extra (leer)acties op school maar ook door extra (leer)acties binnen het opleidingsinstituut.
  
  schoolkinderen.jpg (8438 bytes)