Home  

Nieuwsberichten De praktijk Inhoudelijke informatie over Opleiden in school Regionale netwerken deelnemende besturen en scholen Meest gestelde vragen over Opleiden in school Informatie over de projectgroep en regio-ondersteuners
 
Kennisbasis
     
  Kennisbasis    




Studiereis 'Professional Development Schools', Opleiden in school in Amerika (2)

door Marieke Krakers, studente 

Het doel van deze reis was voor mij met name, horen en zien hoe andere studenten worden opgeleid binnen verschillende PDS-programma’s (PDS staat voor ‘Professional Development School’, de Amerikaanse vertaling van ‘Opleidingsschool’). Ook wilde ik de verschillende programma’s vergelijken met het programma dat ik volg. Aan de hand daarvan wil ik nagaan of er dingen zijn die in ons programma volgens mij beter of anders zouden kunnen/ moeten.

Allereerst zal ik de verschillende universiteiten die we bezocht hebben en hun PDS-programma’s kort beschrijven.
Vervolgens zal ik mijn indruk van de basisscholen en de studenten in die basisscholen beschrijven.
In de conclusie zal ik de programma’s kort vergelijken met ons programma en de voor- en nadelen van beide proberen te benoemen.
Onder het kopje aanbevelingen tot slot zal ik een aantal dingen noemen die in Amerika aan bod zijn gekomen, zowel in het Amerikaanse systeem als in onderlinge gesprekken die voor verbetering vatbaar zijn of die we zouden kunnen invoeren.

Johns Hopkins University
Het programma waar we het meest over gehoord hebben is het 13-maanden durende masters-programma, bedoeld voor studenten die al een graad hebben gehaald in een ander vakgebied (graduates). Dit is vergelijkbaar met het zij-instromers programma dat wij kennen op de PABO.
In dit programma lopen de studenten 13 maanden stage in een PDS school. De studenten blijven op zes weken na de gehele periode in dezelfde klas. Zes weken lang mogen de studenten kijken hoe het gaat in een andere groep of zelfs op een andere school, dit ter verbreding van de stage-ervaring. 
In zo’n stageschool is een begeleider van de universiteit aanwezig die de studenten begeleidt en ook af en toe lesgeeft. Daarnaast is er een vakleerkracht die de studenten in de basisschool in totaal vier courses geeft.
Twee avonden per week volgen de studenten gezamenlijk lessen aan de universiteit.
Eens per twee weken wordt op vrijdagmiddag een seminar gegeven op de universiteit. In zo’n seminar worden de ervaringen van studenten besproken. Daarnaast komen maandelijks enkele onderwerpen aan de orde, waarmee de studenten in de stage aan de slag kunnen (de afgelopen maand was dat bijvoorbeeld ‘het creëren van een constructivistische leeromgeving’).
Iedere maand schrijven de studenten een reflectieverslag over hun eigen ontwikkeling.
Al deze verslagen en andere opdrachten worden opgeslagen in een digitaal portfolio.

University of Maryland
Van deze universiteit heb ik zowel met graduates als met undergraduates gesproken. Voor beide categorieën studenten is er een PDS programma.
Allereerst het vierjarige programma dat het best te vergelijken is met onze PABO.

4-jarig programma
De opleiding tot leerkracht duurt voor studenten die de Highschool hebben afgerond 4 jaar.
De eerste drie jaar van hun opleiding valt niet onder PDS. De eerste jaren volgen de studenten alleen lessen (courses) op de universiteit. De vakken die dan aan de orde komen zijn van vrij algemene aard en niet zeer specifiek gericht op lesgeven aan kinderen.(o.a. pedagogiek, psychologie etc.) 
Pas in het vierde en dus het laatste jaar komen de studenten voor het eerst op de basisschool. Het schooljaar wordt verdeeld in twee semesters. In het eerste semester lopen de studenten twee dagen per week stage in een bepaalde groep, het werk van de student in een stageklas is dan vooral het observeren van de mentor en de leerlingen. Vaak gebeurt dit observeren aan de hand van bepaalde opdrachten die vanuit de universiteit worden gegeven. 
De laatste week voor het begin van het nieuwe schooljaar zijn de studenten een hele week op de basisschool om eens mee te maken wat er allemaal door leerkrachten wordt gedaan voordat een schooljaar begint. (vergaderen, klas inrichten etc.) 
Buiten de woensdagen en donderdagen zijn de studenten voor courses op de universiteit. De courses in dit laatste jaar zijn veel meer gericht op het vak van leerkracht dan de jaren ervoor, vooral methodiek en didactiek komen dan aan de orde. 
In het tweede semester is het ‘coursework’ afgerond en beginnen de PDS-studenten aan hun ‘student-teaching’. In dit halve jaar zijn de studenten vijf dagen per week in de stageschool. Ze blijven wel in dezelfde groep (grade) als in het eerste semester. Dit laatste omdat heel bewust is gekozen voor verdieping in plaats van verbreding.
In de stageschool worden de studenten in eerste instantie begeleid door hun mentoren, die hun lessen observeren en bespreken met de studenten. Daarnaast is in iedere school een site-coordinator aanwezig die de studenten ondersteunt (vergelijkbaar met onze IOB-er). Het contact tussen de basisscholen en de universiteit wordt onderhouden door een Field Base Instructor (FBI) vergelijkbaar met onze PSL. Ik kan helaas weinig zeggen over de precieze functie-inhouden van al deze personen.

1-jarig masterprogramma
Dit programma is voor een deel te vergelijken met het bovenbeschreven masters-programma van de Johns Hopkins University. Ook dit programma is bedoeld voor zogenaamde zij-instromers die al eerder een graad hebben behaald.
Dit programma start echter in mei met een aantal maanden waarin de studenten alleen theorie krijgen aan de universiteit (tijdens summercourses). Afhankelijk van de vooropleiding wordt geprobeerd zoveel mogelijk ‘onderwijs op maat’ te leveren
Na de summercourses lopen de studenten in de herfstmaanden op woensdag stage waarbij de aandacht vooral gericht is op het observeren van leerlingen en mentoren. Vanaf januari zijn de studenten student-teachers. Ze zijn dan 16 weken lang vijf dagen per week in de stageschool en gaan vanaf dat moment ook steeds meer lessen geven tot ze in staat zijn een klas een hele week zelfstandig draaiende te houden.

College of Notre Dame of Maryland
Ook de studenten van dit college, die we gesproken hebben tijdens deze reis, volgen een 1-jarig master programma (fast-track).
De studenten hebben in ieder geval in de eerste periode van dit jaar een dag per week stage waarbij ze begeleid worden door hun mentoren en een sitecoordinator. Helaas was er tijdens het bezoek aan deze studenten te weinig te tijd om meer informatie te krijgen. Mijn idee is dat het het meest te vergelijken is met het masters-programma van de ‘Univerity of Maryland’

Mijn indruk van de bezochte elementary schools
Het kwam zo uit dat ik tijdens de reis alleen elementary schools en geen middle schools heb bezocht. Op een elementaryschool zitten in het algemeen leerlingen van de first grade (kinderen vanaf ongeveer zes jaar, vergelijkbaar met onze groep 3) tot de fifth grade (vergelijkbaar met onze groep 7). In een aantal scholen was de ‘kindergarten’ (kleuterschool) bij de school zodat ik ook daar een paar groepen van heb gezien.
De scholen die ik bezocht heb waren grote scholen met elk meer dan 750 leerlingen.
De groepen waren over de school verdeeld per leerjaar. Dus alle ‘first grades’ zaten bij elkaar in een soort cluster alle ‘second grades’ in een ander deel etc. 
Opvallend was dat in de meeste van de bezochte scholen binnen zo’n cluster de lokalen heel open waren. In enkele lokalen ontbrak zelfs een wand, vanuit het ene lokaal kun je dan direct in het lokaal ertegenover kijken. Een aantal (vooral beginnende)leerkrachten vindt dit erg prettig omdat de leerkracht in het lokaal er tegenover ook meekrijgt wanneer er iets gebeurt en dan te hulp kan schieten. Anderen vinden het vervelend en hebben het gevoel dat er wel erg op je vingers wordt gekeken door iedereen die voorbij komt. 
Wat mij bijzonder opviel was dat in de open leersituaties de kinderen totaal geen last leken te hebben van langslopende mensen. Ze gingen allemaal rustig door met hun werk en keken nauwelijks op of om. Het geheel kwam heel gedisciplineerd over.
De klaslokalen waren niet te vergelijken met de Nederlandse waar meestal weinig aan de muur hangt omdat dat kinderen alleen maar afleidt. De Amerikaanse lokalen zijn stuk voor stuk overal behangen met ‘versiersels’. Naast veel aanmaningen om maar goed je best te doen, hingen de lokalen vol met allerlei geheugensteuntjes voor de verschillende vakken. In geen enkel lokaal ontbrak de nationale vlag en iedere ochtend werd gestart met de ‘state of the union’ en in sommige scholen ook nog het volkslied. 
Omdat er van alle jaargroepen meerdere klassen zijn wordt hiervan bij een aantal scholen handig gebruik gemaakt. In een basisschool heb ik gezien dat voor een aantal lessen, zoals bijvoorbeeld rekenen de drie ‘first grades’ werden verdeeld over drie niveaugroepen rekenen, zodat de leerlingen allemaal op een meer aangepast niveau les kregen.
In een andere school hadden de leerkrachten ervoor gekozen de lessen voor bijvoorbeeld twee ‘fifth grades’ te verdelen. De ene leerkracht bereidde een les science voor de ander een les rekenen. Nadat ze ieder de les in hun eigen klas hadden gegeven lieten ze de leerlingen van lokaal wisselen en gaven ze de les nogmaals maar dan aan de andere groep.
Voor alle bezochte scholen gold dat er voor een aantal vakken een vakdocent aanwezig is, zoals voor handvaardigheid en gym. In een enkele is ook een muziekdocent aanwezig die de leerlingen muziekles geeft in instrumenten naar keuze.
Omdat het in Amerika heel gebruikelijk is om kinderen met leerproblemen of gezondheidsproblemen binnen de school te houden (er zijn weinig scholen voor speciaal onderwijs), zijn er voor deze leerlingen veel extra begeleiding en extra voorzieningen binnen de school. Er zijn veel interne begeleiders. Vaak een schoolpsycholoog, een verpleegkundige en leerkrachten die leerlingen bijvoorbeeld extra leesonderwijs geven.
Ook was het opvallend dat ouders een behoorlijk grote rol vervullen binnen de scholen. Allereerst werd het in een aantal scholen volledig geaccepteerd dat ouders komen kijken hoe het gaat in een klas en vooral met hun kind. In veel gevallen worden ouders ingezet als een soort klassenassistenten en nemen ze groepjes kinderen apart om te werken aan opdrachten.
Van een aantal leerkrachten heb ik gehoord dat zij het soms prettig vinden dat ouders zo betrokken zijn, bijvoorbeeld wanneer een extra paar handen bij een les wel handig is. Maar vaak wordt de belangstelling van ouders ook wel ervaren als bemoeienis. Ouders komen soms ook om te controleren of hun kind wel goed les krijgt of om na te gaan waarom een bepaalde test niet is gehaald.
De manier van werken in de klassen was, viel mij op, behoorlijk prestatiegericht. Kinderen werden op allerlei manieren aangespoord om zo hard mogelijk te werken. Zo worden er wekelijks testen afgenomen om het niveau van de leerlingen op allerlei vakgebieden te controleren. Kinderen die die week bijzonder goed hadden gepresteerd werden op de verschillende scholen op verschillende manieren in het zonnetje gezet. Bijvoorbeeld door de titel ‘Star of the week’ die dan op een bord centraal in de school kwam te hangen. In een andere school werden de ‘topscorers’ bejubeld via de intercom. Opvallend was dat hierbij puur werd gekeken naar scores op testen, zwakkere leerlingen komen hierbij dus zelden tot nooit aan bod.
Wat betreft het curriculum kan worden gezegd dat leerkrachten hierin weinig vrijheid hebben om zelf keuzes te maken. Vanuit de staat (Maryland) zijn bepaalde standaards gegeven die per County (een soort district) zeer precies zijn uitgewerkt. Binnen een county volgen alle basisscholen dus hetzelfde programma. Vanwege de tijdsdruk is het nauwelijks mogelijk om hier nog iets aan toe te voegen, en iets weglaten is ook niet aan de orde vanwege de testen die de kinderen moeten maken.


Mijn indruk van het opleiden van studenten binnen de elementary schools
Tijdens de meeste bezoeken aan de basisscholen heb ik de gelegenheid gehad om, zij het kort, even met een aantal studenten uit PDS-programma’s te spreken en ervaringen uit te wisselen.
In twee gevallen heb ik zelfs een stukje van een les mogen observeren.
Mijn indruk van de begeleiding is dat deze zeer intensief is. Studenten worden in de klas begeleid door zeer betrokken mentoren die hen tijdens hun lessen ook observeren en daarvoor ook een formulier invullen. De mentoren zijn zeer goed op de hoogte van het programma en van de doelen die de student moet halen, zodat ze ook in staat zijn om een groot deel van de begeleiding van de studenten op zich te nemen.
In de scholen is in iedere geval op de dagen dat de studenten aanwezig zijn een site-coordinator of een FBI aanwezig die verantwoordelijk is voor de contacten tussen de universiteit en de basisschool en die ook een aanspreekpunt is voor alle betrokkenen.
De meeste studenten beschikken in de stageschool allemaal over een bepaalde ruimte die speciaal voor hen is ingericht, waar ze kunnen werken, overleggen, gebruik kunnen maken van internet etc. Ook worden hier af en toe courses of seminars gegeven. Studenten van verschillende ‘elementary schools’ in een bepaalde county komen eens in de zoveel tijd samen om ervaringen uit te wisselen.
Wat vooral opvalt is dat de studenten vergeleken met ons zo weinig stage lopen. Vooral de studenten die het vierjarige traject volgen. Zij komen pas na (minimaal) drie jaar studie voor het eerst in een basisschool.
Een groot nadeel hiervan is dat veel studenten die de voorgaande drie jaren al hebben afgerond afknappen nadat ze hebben stage gelopen, het blijkt dat het lesgeven hen helemaal niet bevalt. Een tweede nadeel dat de studenten zelf noemden is dat ze nog erg veel moeten leren in een zeer korte tijd.
Een voordeel hiervan is volgens een van de studenten wel dat je drie jaar de gelegenheid hebt om echt student te zijn. Stage in het eerste jaar leek hem een te grote verantwoordelijkheid.
Voor de studenten die het masters-programma volgen geldt ook dat ze weinig stage-ervaring opdoen maar dit heeft meer te maken met een gebrek aan tijd. Studenten gaven wel aan meer stage te willen lopen maar konden zich niet voorstellen waar ze die tijd vandaan moesten halen. Voor het programma dat de Johns Hopkins University aanbiedt, geldt wel dat de studenten vanaf het begin vijf dagen per week stagelopen.
Voor alle vormen van PDS geldt dat de eerste helft van de volledige stageperiode vrijwel geheel wordt ingevuld met observatieopdrachten die de studenten vanuit de universiteit meekrijgen. De studenten zijn dan wel in de klas maar geven nog totaal geen lessen. Ze fungeren meer als een soort klassenassistenten, ze bieden kinderen individuele hulp en helpen de leerkracht met bepaalde uitgebreide activiteiten.
Eveneens opvallend is dat de studenten hun hele stageperiode binnen dezelfde groep blijven. Een voordeel hiervan is dat ze hun mentor goed kunnen leren kennen. Een nadeel is dat ze op die manier maar een beperkte ervaring hebben als ze na hun afstuderen aan het werk gaan.
De lessen die de studenten geven in het laatste deel van hun studie zijn nogal gebonden aan het curriculum. In de meeste gevallen moeten zij dus kiezen voor een les die die week op het programma staat. Zij hebben daarin om bovengenoemde reden weinig vrijheid.

De studenten die ik gesproken heb waren allemaal zeer tevreden over de begeleiding die ze kregen. Vooral van hun mentoren. Het was mij al opgevallen dat deze mentoren een zeer belangrijke rol spelen in het hele PDS-programma. Zij begeleiden de studenten het meest direct door hun lessen te observeren en te bespreken. Ook het eindrapport van de mentor is van doorslaggevend belang bij het wel of niet slagen voor de stage.
Op de vraag of mentoren het begeleiden als een zware belasting zagen antwoordden zij dat dit niet het geval was. De mentoren vonden het juist prettig een extra hulp in de klas te hebben die de leerlingen kan helpen, daarnaast gaven ze aan er zelf ook van te leren. Studenten krijgen op de universiteit de nieuwste ontwikkelen mee op het gebied van methodes en strategieën en die krijgen de mentoren op die manier ook te horen.
Natuurlijk is het voor de studenten en de begeleiders van het project een groot voordeel dat er in een basisschool slechts een paar studenten zijn op een hele grote staf. De site-coordinator die de plaatsen voor studenten bij mentoren regelt vraagt tijdens een vergadering welke mentoren bereid zijn om een PDS-student te begeleiden. Uit de vrijwilligers kan de site-coordinator dan nog selecteren wie het meest geschikt is voor welke student.
Daarnaast is de begeleiding voor mentoren erg goed geregeld. Er zijn speciale trainingen die de mentoren kunnen bezoeken op de universiteiten. Daarnaast is de site-coordinator altijd op school aanwezig om eventuele hulp aan te vragen.

Conclusie
Het is duidelijk dat er naast de verschillen die er zijn tussen de verschillende PDS-programma’s in Maryland er ook grote verschillen zijn met het project zoals wij dat volgen op de Edith Stein.
Wel goed vergelijkbaar zijn de basisprincipes van PDS. Het samenwerkend opleiden, de wig tussen de PABO/Universiteit en de basisscholen proberen te verkleinen door samen de studenten op te leiden en er zo voor te zorgen dat studenten worden opgeleid tot betere leerkrachten omdat het huidige niveau van pas afgestudeerden te vaak onder de maat bleek. 
Een groot verschil bleek de hoeveelheid stage-ervaring die wij opdoen en de hoeveelheid die Amerikaanse studenten (ongeacht universiteit) opdoen.
Ik zie dit als een groot nadeel van het Amerikaanse systeem. Vooral omdat ik persoonlijk het gevoel heb zoveel te leren in de stageschool. Ook is het belangrijk dat de theorie die je leert op de PABO direct is terug te koppelen naar de stageschool. En andersom kunnen de ervaringen en vragen die je hebt op een stageschool direct worden teruggekoppeld naar de PABO.
Ook het feit dat de stage en het hele PDS-programma pas worden aangeboden in het laatste jaar van de opleiding vind ik niet positief. Studenten komen op die manier veel te laat met hun uiteindelijke beroep in aanraking en daarmee met het belangrijkste onderdeel van dat beroep: de kinderen. Het argument van een van de studenten dat je in het eerste jaar nog niet de verantwoordelijkheid hebt om stage te lopen kan volgens mij worden ontkracht door onze eigen ervaringen. Alle studenten lopen in hun eerste jaar stage en kunnen daar volgens mij prima mee overweg. De verantwoordelijkheid die je als stagiaire hebt in het eerste jaar is klein en groeit met de jaren tot je in het laatste jaar volledig verantwoordelijk bent voor een groep kinderen.
Ondanks het feit dat er weinig stage wordt gelopen tijdens de opleiding wordt een groot deel van de stagetijd gebruikt om te observeren. Dit is omdat de studenten dan een beter beeld krijgen van de klas en de mentor (vooral ook omdat ze nog nooit eerder in een stageschool zijn geweest). Toch denk ik dat het goed is dat er zoveel aandacht wordt besteed aan dit onderdeel. Ik heb het gevoel dat bij ons (misschien onbedoeld) de nadruk te snel op het geven van lessen komt te liggen. Vooral in het begin lijkt mij observatie zeer belangrijk en nuttiger dan het geven van lessen omdat daarin nog zoveel fouten worden gemaakt door gebrek aan theoretische achtergrondinformatie.
Wat betreft de begeleiding denk ik dat er voor ons ongeveer een vergelijkbaar aantal mensen klaarstaat om je te helpen met eventuele problemen. Een verschil is echter dat de mentoren in de Amerikaanse basisscholen die ik bezocht heb meer betrokken zijn bij het hele project en vooral bij de studenten. Bij ons komt het nogal eens voor dat mentoren het als een zware belasting zien om studenten te begeleiden terwijl de Amerikaanse mentoren juist de voordelen ervan inzagen. Ik denk dat dit voor een groot deel (naast het feit dat er veel mentoren beschikbaar zijn op een relatief klein aantal studenten) te maken heeft met de mate waarin mentoren daar worden begeleid door de universiteiten en ook door de mate waarin mentoren ook bereid zijn/ in staat zijn om ook na schooltijd nog trainingen en bijeenkomsten te volgen die hen helpen bij de begeleiding van de studenten. De mentoren kijken ook een stap verder. Goed opgeleide studenten worden misschien ook goede collega’s.
Helaas weet ik te weinig van het zij-instromers programma van de Edith Stein zodat ik dit niet kan vergelijken met de masters-programma’s die in de VS worden aangeboden. Wel is het een groot voordeel voor de zij-instromers hier dat zij de opleiding zonder daarvoor al te veel aan de kant te hoeven zetten kunnen volgen. Voor de Amerikanen geldt dat zij hun huidige baan moeten opzeggen en tevens een enorm bedrag aan lesgeld moeten betalen. Deze studenten moeten een zeer grote investering doen om hun opleiding te kunnen volbrengen. Voordeel daarvan is wel dat de studenten allemaal zeer betrokken zijn. Een enorm nadeel is dat er waarschijnlijk een hoop talent verloren gaat omdat veel mensen de opleiding niet kunnen betalen.

Aanbevelingen
Ik heb de volgende punten eerst met een aantal klasgenoten besproken en hun meningen gevraagd. Omdat ik er zeker van wil zijn dat ik niet alleen mijn eigen ideeën verwoord maar die van een grotere groep.
Allereerst denk ik dat het goed is dat de begeleiding van mentoren meer aandacht krijgt. Het is voor studenten te moeilijk om aan mentoren uit te leggen wat er van hen precies verwacht wordt. Mentoren laten ook via de studenten regelmatig weten wel behoefte te hebben aan meer informatie.
Bovendien, als de mentor meer op de hoogte is en beter /gerichter kan observeren, dan ontlast hij /zij daarmee de IOB-er. 
Om dit te bewerkstelligen hebben we het idee geopperd dat mentoren in eerste instantie door de IOB-er worden bijgeschoold. Omdat mentoren na schooltijd vaak veel andere dingen te doen hebben zou dit onder schooltijd moeten plaatsvinden. Tweedejaarsstudenten kunnen in die tijd hun klas overnemen. Dit is voor studenten een prettige gelegenheid om ook eens alleen met de kinderen te zijn. Voor de training van de mentoren van eerstejaarsstudenten zou een regeling kunnen worden getroffen waarbij de tweedejaars en eerstejaars samenwerken in de groep van de eerstejaarsstudent. Dit omdat lang niet alle eerstejaars het aan zullen durven om alleen een groep draaiende te houden. Daarnaast krijgt op deze manier tutoring een veel concretere vorm. 

In het bovenstaande stuk heb ik al gezegd dat het observeren volgens mij een essentieel onderdeel van de stage is. Volgens mij wordt hier met name in het eerste jaar te weinig aandacht aan besteed. Studenten zouden in plaats van meteen maar lessen te gaan geven volgens mij beter eerst goed kunnen kijken in de basisschool, in de groep, in de methodes etc.
Wat mij betreft wordt het geven van lessen in de eerste periode zelfs verboden (los van activiteiten als voorlezen ed.). Ik werd er zelf vorig jaar behoorlijk nerveus van dat klasgenoten al zoveel deden terwijl ik ‘alleen maar zat te kijken’. 

Een volgend punt is de manier waarop de lessen op de PABO worden aangeboden. Deze hebben naar mijn mening nog te vaak het karakter van ‘praktijkvoorbeelden’. Wat wij graag zouden willen is dat op de PABO vooral de theorie wordt aangeboden zoals bijvoorbeeld de vakdidactiek/methodiek. De praktijk zouden we liever op de stageschool zien (bijvoorbeeld door mentoren die samen met vakdocenten lessen voorbereid hebben of door vakdocenten zelf). Als er toch praktijklessen zijn omdat er altijd wel mensen zijn die daar wel behoefte aan hebben zou ik graag willen dat die facultatief zijn. Het is dan wel noodzakelijk dat iedereen vooraf weet wat er in een les ongeveer behandeld gaat worden. Misschien dat er vooraf een korte les kan zijn waarin de vakdocent inventariseert wat iedereen graag zou leren. Op basis van die informatie kan de vakdocent een programma opstellen en dat via mail aan de klas laten weten. Studenten die daarin niet de gewenste kennis kunnen verkrijgen kunnen daarvoor de docent consulteren.

Ik heb wat rondgevraagd en er blijkt wel belangstelling te zijn voor een uitbreiding van de stage in het tweede jaar met bijvoorbeeld de woensdagmorgen. Daar moet dan echter wel rekening mee worden gehouden vooral wat betreft opdrachten van, en lessen op de PABO. Dit omdat een extra stagedag ook meer voorbereidingstijd kost. Wanneer een deel van de lessen (bijvoorbeeld voorbeeldlessen van vakdocenten of mentoren) in de basisschool kunnen worden gegeven zou dat natuurlijk ideaal zijn.
Ook een voordeel is dat er op die manier meer tijd is voor intervisie en kijken naar lessen van andere studenten en het bespreken daarvan. Als dagen dan worden ingevuld met dergelijke activiteiten moet natuurlijk soepeler worden omgegaan met de regel dat er minstens twee activiteiten per dag moeten worden uitgevoerd.